Aglaia Konrad Photographs Brussels

In het Institut de Carton toont Aglaia Konrad (1960) twaalfhonderd digitale opnames van hoe de voorbije tien jaar modernistische kantoortorens, bankgebouwen en parkeergarages uit de jaren zeventig tot negentig zijn afgebroken in Brussel. De afdrukken op A3-formaat zijn, chronologisch geordend, opgehangen in de inkomgang, een kamer op de eerste verdieping en oplopend langs de wanden van de smalle trap in de hoge trappenhal van het herenhuis waar het Institut gevestigd is. De trap voert tot de zolderverdieping, waar een video op computerscherm over de afbraak van het Communicatiecentrum Noord (CCN), voltooid in 1994, de tentoonstelling afsluit. Op ieder blad staan acht foto’s, klein, zonder titel maar genummerd. Nu en dan worden de reeksen onderbroken door een beeld over een volledige A3. De meeste foto’s zijn in zwart-wit, maar zijn soms niet te onderscheiden van kleurbeelden, omdat wat ze vastleggen zelf geheel stoffig grijs en kleurloos is. De opnames in staand formaat werden eveneens liggend afgedrukt, wat de kijker de keuze laat om de oriëntatie al dan niet met een hoofdbeweging te corrigeren en het beeld ‘leesbaar’ te bekijken. Doordat Konrad al haar opnamen toont in de volgorde waarin ze gemaakt zijn, volgen veel gelijkende versies van eenzelfde beeld kort na elkaar, zonder dat de variaties en de kleine verschuivingen in camerastandpunt of kadrering iets betekenen, wat de globale indruk van gelijkheid en herhaling nog versterkt. Vooraleer uit deze stroom individuele beelden te isoleren en aandachtig te bekijken, is het de totaalindruk van een homogene veelheid of massa die domineert, van een teveel. De installatie insisteert.
Kunst heeft het bijzondere vermogen om het lelijke toch mooi of althans interessant te maken. Esthetisering, de combinatie van afstand en concentratie door middel van een beeld of gedicht dat de schoonheid van het verval toont of formuleert, is evenwel een valkuil die al lang vol ligt met ruïnekunst. Konrad ontwijkt die val. Vormelijk effectief is de keuze voor de goedkope, kleine, grijzige prints, zonder glans, rechtstreeks aan de wanden bevestigd, en voor de gelijkmatigheid en serialiteit in de ophanging, die inwisselbaarheid suggereert. Er is geen verbijzondering, geen nadruk, geen keuze, geen pathos. Net daardoor wordt de karakterisering van het onderwerp precies en scherp. De reeksen opnames van de opeenvolgende fasen van het slopingsproces, van het stukslaan van de gevel tot het sorteren en afvoeren van het restmateriaal, tonen geen ruïnes. Ze vertellen niet hoe de tijd, traag, van de cultuur weer ‘natuur’ maakt, hoe de ruïne de diepte in de tijd doet voelen, ze nopen niet tot melancholische, droef-troostende beschouwingen over het noodlot, vergankelijkheid, de vergeefsheid van menselijke betrachtingen en vergetelheid. De beelden missen echter evenzeer de sublieme kracht en grootsheid van de catastrofe. Ze tonen niet het mediagenieke wraklandschap of de uiteengespatte wereld na de plotse Verschrikkelijke Gebeurtenis – na een tsunami, explosie of wereldbrand. De foto’s van Konrad zijn niet ruïneus of apocalyptisch interessant. Ze tonen een gewilde en geplande, een ‘propere’, totale vernietiging, het ordelijk-gewelddadig liquideren en wegruimen van een gebouw, gericht op een tabula rasa. Systematische destructie, zonder opwinding of woede, efficiënt. Zonder drama en zonder anekdotiek: de elegante machines en kraanarmen die slopen, plooien en verpulveren, en de jasjes en uitrusting van de bouwvakkers, die in geel, rood en fluo contrasteren met de brokken beton, het verwrongen staal en het stof, komen zelden in beeld.
De gebouwen waarvan Konrad de afbraak documenteert zijn modernistische constructies, gemaakt van staal, beton en glas, met weinig of geen natuursteen, baksteen of hout. Ze bestaan uit materialen die niet verouderen en ‘patina’ krijgen, maar breken en kapotgaan. De gevels zijn geen dragende buitenmuren, maar zijn bevestigd aan een draagstructuur van staal of beton en de ruimteverdeling binnenin is gemaakt met invulmuren. Bij afbraak worden daarom eerst de gevels weggeslagen en wordt de inrichting geruimd, zodat het beton- of staalskelet vrijkomt. De constructie is doorzichtig en leeg, zonder een spoor van leven, alsof er nooit een ‘binnen’ is geweest. De draagstructuur wordt daarna geleidelijk afgebroken. Wat overblijft zijn geen herkenbare onderdelen of fragmenten, maar puin: hopen grillig geplooid metaal en wapeningsstaal, betonblokken, gruis, dat grof gesorteerd en afgevoerd wordt. Wat van al deze operaties te zien is op de foto’s krijgt echter op geen enkel moment betekenis. De camera legt zonder commentaar of bijgedachten een technisch gebeuren vast. Konrad blijft bij de feiten.
De installatie in het Institut de Carton is aangrijpend hopeloos. De kalme destructie die getoond wordt, zonder opwinding of spanning, voelt grondig verkeerd. Vernichtung als het tegendeel van architectuur. Maar Konrad zegt dit niet. Ze toont, ingehouden, zonder te dramatiseren of artistiek te verzoenen. Wanneer de kijker op eigen initiatief gaat inzoomen op die kleine beelden, en ze isoleert en traag bekijkt, blijkt snel dat er veel sterke, prachtige foto’s tussen zitten. Een schat aan potentieel bruikbare ‘kunstfoto’s’. De kracht van de tentoonstelling is echter dat Konrad die niet zelf selecteert en enkel subtiel accenten legt met de beelden die een volledige A3 in beslag nemen. Om de tentoonstelling toch af te sluiten met een toegift: een close-up van puin dat metamorfoseert in een soort bloementapijt.
• Aglaia Konrad Photographs Brussels, tot 24 januari, Institut de Carton, Jetselaan 41, Brussel.